Achtergrond informatie viool

De viool, violin (F), Geige of Violine (D), violin (E), violino (I) is het hoogste instrument van de momenteel in gebruik zijnde strijkinstrumenten. De viool heeft vier snaren die in kwinten zijn gestemd: g d' a' e''. De e-snaar is meestal van staal, de andere snaren zijn met zilver- of aluminiumdraad omwoelde darmsnaren.

Dat de vier snaren bij gelijke lengte een verschillende hoogte hebben, komt door de verschillende dikte. Wanneer een dunne en een dikke snaar even sterk gespannen zij, is op een dunne snaar de toon hoger. De snaren lopen over een kam, die de trillingen overbrengt op het bovenblad van de romp of klankkast, die het resonerende deel van het instrument vormt. Tussen het boven- en onderblad bevindt zich een cilindrisch stukje hout (de stapel) die de trillingen van het boven- naar het onderblad overbrengt.

Door de vingers van de linkerhand op de snaren te plaatsen wordt het trillende gedeelte verkort, waardoor de toon hoger wordt. De duim van de linkerhand wordt niet gebruikt, de wijsvinger wordt de eerste vinger genoemd, de middelvinger de tweede, de ringvinger de derde en de pink de vierde. Door de linkerhand te verplaatsen richting kam kan er in 'hogere posities' worden gespeeld. De toonomvang van de viool is van g tot a4.


Snaar karakteristiek

De vier snaren hebben een verschillend timbre:

  • de E-snaar klinkt helder en doordringend en heeft de meeste dragende kracht. Wanneer deze forte bepeeld wordt is er sprake van een krachtig, bijna scherp geluid, terwijl bij piano-spel de klank zeer helder en duidelijk blijft.
  • de A-snaar is in de eerste positie behoorlijk sterk maar verliest in de hogere regionen wat kracht en briljantheid. Als men expressief zacht spel wil, kan men beter omhoog gaan op de A-snaar dan overgaan naar de E-snaar.
  • de D-snaar is minst krachtige snaar en daardoor uiterst geschikt voor bepaalde kalme vormen van expressie.
  • de G-snaar klinkt vol en warm en kan zeer mooi zijn in het geval van breed melodisch spel stijgend tot de achste positie. Wanneer men hoger komt dan een octaaf + kwart boven de open snaar speelt wordt de klank minder.

Vaak schrijft de componist, om een bepaald timbre te verkrijgen, voor op welke snaar een melodie gespeeld moet worden. Dit kan door middel van de term SUL in combinatie met E, A, D of G te gebruiken en vervolgens een gestreepte lijn te trekken boven de op die snaar te spelen passage.


Vingerzetting

De natuurlijke tonen (noten zonder voortekens) worden door alle vingers behalve de duim gespeeld. Als men de linkerhand dicht bij de kop van de hals zet (in de 1e positie) kan men de volgende tonen spelen:

  • G-snaar: a = 1, b = 2, c = 3, d = 4
  • D-snaar: e = 1, f = 2, g = 3, a = 4
  • A-snaar: b = 1, c = 2, d = 3, e = 4
  • E-snaar: f = 1, g = 2, a = 3, b = 4

Als er in een muziekstuk een bepaalde vingerzetting gewenst is, bijvoorbeeld ten behoeve van een bepaalde expressie, is het mogelijk om deze aan te geven in de partij. Wanneer de vingerzetting weggelaten wordt zal de violist naar eigen wens en ervaring een vingerzetting bepalen.

Als men ervoor kiest om een open snaar te laten klinken in plaats van dezelfde toon op de toets te stoppen, heeft men er rekening mee te houden dat dit een duidelijkere en meer volle klank geeft en dat de toon, als die eenmaal vals is of afwijkt van de gewenste intonatie, niet meer gecorrigeerd kan worden. Hierom is het aan te raden om in expressieve passages de open snaren zoveel mogelijk te vermijden. Het kan in sommige situaties natuurlijk ook een extra dimensie aan het spel toevoegen (vooral op het gebied van karakter van de toon).


Posities

Door de linkerhand op de toets te verschuiven komen er andere noten onder de vingers. De plaats waarop de hand zich begeeft noemt men een positie. Als men één natuurtoon opschuift zit men in een volgende positie.

Hoe hoger de positie, hoe moeilijker het wordt om de juiste noot te raken omdat de intervallen kleiner worden naarmate men dichter bij de brug komt. Ook wordt de stand van de hand onhandig en staan de snaren hoger op de toets als men de brug nadert.

Halve Positie; het is mogelijk om de hand in de halve positie te plaatsen, als dit gemakkelijker is om de voorgeschreven noten te spelen. Bij de halve positie ligt de eerste vinger niet op een natuurtoon.

Vierde vinger uitbreiding; in de eerste positie is het mogelijk om met de 4e vinger nog één hele noot erbij te nemen (tot een reine kwint). In de hogere positie's is dit zelfs heel gewoon.

Positieverandering; bij het veranderen van positie wordt één van de vingers gebruikt om van de ene toon naar een andere toon te glijden waarna de hand in de nieuwe positie staat. De glijdende vinger hoeft hierbij nog niet meteen op de juiste plaats in de nieuwe positie te staan.

  • de meest voorkomende positiewisseling is om 2 positie's op te schuiven en dan met de eerste vinger een terts verder te glijden. Ook het glijden met de 2e vinger komt vaak voor.
  • als de muziek dit permiteert is het mogelijk om met de vinger van de nieuw te spelen positie een licht portamento-beweging te maken voordat de nieuwe noot bereikt wordt.


Streeksoorten

Het haar van de strijkstok is paardenhaar, dat een bewerking heeft ondergaan. De uiterste einden van de stok worden punt en slof genoemd. De opstreek wordt begonnen bij de punt, de afstreek met de slof. Als regel wisselen punt en slof elkaar af, om kracht bij te zetten komen soms enkele afstreken na elkaar.

Détaché (= losgemaakt); wanneer er bij elke toon van streek wordt gewisseld.

Legato kan gespeeld worden door verschillende tonen op één streek te spelen, maar het is ook mogelijk van streek te wisselen zonder het legato te onderbreken.

Staccato wordt aangeduid met stippen boven of onder de desbetreffende noten. De tonen worden kort gespeeld, zodat ze alle geheel los van elkaar komen te klinken.

Spiccato; in tegenstelling tot staccato wordt bij spiccato met korte streken gespeeld. Na iedere streek springt de stok door zijn elasticiteit terug.

Martellato; de tonen worden scherp van elkaar geschieden, iedere toon krijgt een accent.

Portato-spel is verwant met 'louré', een techniek die veelal gebruikt wordt in klassieke werken; het is het spelen van vier of meer achtsten van één toonhoogte op één streek.

Saltato of sautillé lijkt op spiccato. Het effect wordt echter niet bereikt door vingerdruk op de stok, maar deze valt door z'n eigen gewicht op de snaar.

Ricochet, jeté of werpstreek; de stok wordt op de snaar geworpen en veert daarna terug. Ricochet bestaat eigenlijk uit verschillende saltatosprongen op één streek.


Meerstemmig spel

Op de viool kunnen niet meer dan twee snaren gelijktijdig worden aangestreken. Akkoorden van 3 of 4 tonen worden meestal van onderen naar boven arpeggio gespeeld, waarbij ten hoogste 2 tonen kunnen worden aangehouden. Het is mogelijk 3 snaren tegelijk aan te strijken door de stok sterk op de middelste snaar te drukken, waardor deze op dezelfde hoogte als de andere wordt gebracht (dit kan dus alleen als de drieklank sterk van klank moet zijn en van korte duur is).

Wanneer in de vioolpartijen van een orkestwerk 2 of meer tonen gelijktijdig moeten worden gespeeld, staat er soms 'divisi' bij. In dat geval worden de verschillende tonen over de verschillende groepen van violisten verdeeld. Het komt ook voor dat een strijkersgroep is onderverdeeld, bijvoorbeeld de eerste violen die worden verdeeld in 4 groepen waarbij elke groep z'n eigen partij heeft.


Schakeringen van het timbre

Sourdine (demper) wordt gebruikt als kleur. Door op de kam een demper te plaatsen wordt het overbrengen van de trillingen geremd, waardoor de toon gedempt wordt. Tegenwoordige sourdines kunnen op het instrument zelf blijven, waardoor je sneller kunt wisselen. Maar soms wil de componist de wisseling toch nog sneller hebben en dan ook nog vaak in zachte passages (je krijgt altijd een bijgeluid bij het op- en afzetten), dan wordt het effect vaak geïmiteerd door op de toets te strijken. Verwijdering van de sourdines wordt aangegeven door 'ôtez les sourdines'.

Sul tasto (op de toets): wanneer de snaren worden aangestreken op het deel dat boven de toets ligt wordt de klank mat, doordat de hogere boventonen verdwijnen. Als weer op de gewone plaats moet worden gestreken staat er 'modo ordinario'.

Sul ponticello (bij de kam); dit effect (belangrijker dan de toonhoogte zelf) zorgt voor een magische atmosfeer en wordt vaak in piano/pianissimo-passages gebruikt. Het spelen bij de kam geeft een tintelende toon, doordat meer boventonen meeklinken. Het is lastig uit te voeren door de onnatuurlijke houding, maar ook door de klank, het wordt door de meeste strijkers toch als lelijk ervaren. Wanneer weer op de gewone plaats gestreken moet worden staat er 'modo ordinario'.

Vibrato; door met de linkerhand een trillende beweging te maken onstaat vibrato, dat niets anders is dan de snelle afwisseling van twee tonen, die iets in hoogte verschillen. Het geluid wordt daardoor warm en expressief. Men kan snel of langzaam en ook met grote of kleine bewegingen vibreren. Met welk soort vibrato een violist speelt wordt in hoge mate bepaald door het karakter van de compositie. Als een componist geen vibrato wenst, schrijft hij soms voor 'non vibrato'.

Pizzicato; de snaren worden getokkeld met de eerste vinger van de rechterhand. Het is ook mogelijk om gestreken tonen af te wisselen met pizzicati van de linkerhand, dit komt alleen voor in enkele virtuoze stukken. Wanneer na een pizzicato-gedeelte weer gestreken moet worden wordt dit aangegegeven door 'arco'.

Glissando; bij glissando glijdt de vinger over de snaar terwijl gestreken wordt, hierdoor zijn alle toonhoogten tussen twee aangegeven noten te horen. Glissando wordt aangegeven met een rechte lijn van de eerste naar de tweede noot (met eventueel daarbij de term GLISS).

Portamento; de ene noot wordt muzikaal verbonden met de andere door middel van het glijden van de éne naar de andere noot, maar dit hoeft niet persé zoals bij een glissando op één snaar. Portamento wordt eveneens met een rechte lijn tussen twee noten aangegeven, maar dan met de vermelding PORT.

Flageolettonen; wordt een trillende snaar op een bepaalde plaats licht aangeraakt in plaats van ingedrukt, dan onstaat een natuurtoon. Op strijkinstrumenten wordt deze toon flageolettoon (fluittoon) genoemd. Flageolettonen worden tegenwoordig geschreven op- de hoogte waarop ze moeten klinken. Ze worden aangeduid met een 0 boven de noot.

  • Natuurlijke flageolettoon; wanneer de vinger een in trilling gebrachte losse snaar precies op de helft licht aanraakt zonder neer te drukken, beginnen beide helften afzonderlijk te trillen en wordt de tweede natuurtoon (het hogere oktaaf) gehoord. Plaatst men de vinger op 1/3 of 2/3 van de snaar, dan klinkt de derde natuurtoon. Op 1/4 of 3/4 klinkt de vierde natuurtoon, enz.
  • Kunstmatige flageoletten of kwartflageoletten; deze worden verkregen door met de eerste vinger een snaar op een bepaalde plaats stevig in te drukken en tegelijkertijd met de vierde vinger dezelfde snaar licht aan te raken. De flageolettoon die dan ontstaat is de vierde boventoon. Wordt op de g-snaar op de plaats van bes ingedrukt en dezelfde snaar wordt met de vierde vinger aangeraakt op de plaats van de es', dan wordt als flageolettoon bes2 gehoord, de vierde natuurtoon van bes.

Scordatura; een of meer snaren worden verstemd, hetzij om de uitvoering te vergemakkelijken, hetzij om een bepaald effect te bereiken.

Col legno; dit betekent meestal het slaan met het hout van de stok op de snaren, dit geeft een percussie-achtig effect. Soms moet met het hout van de stok gestreken worden, dit klinkt niet fraai en wordt alleen voorgeschreven om een bepaald effect te bereiken.

Tegenwoordig worden alle delen van de viool en de stok gebruikt voor de klank (vooral percussief).


 

Geraadpleegde literatuur

  • Louis Metz: Strijkinstrumenten - Vroeger en nu
  • Walter Piston: Orchestration
  • Hennie Schouten: Muziekleer in theorie en praktijk
  • Hennie Schouten: Eenvoudige muziekleer
  • Theo Willemze: Muzieklexicon