Muziekbegrippen - A

 

  • A capella: Zang zonder instrumentale begeleiding.
  • A tempo: De term "a tempo" wordt in twee situaties gebruikt. In de eerste plaats na een rubato (een fragment waarin de maat zeer vrij geïnterpreteerd mag worden): "a tempo" heft dat rubato dan op. In de tweede plaats na een tempowijziging: "a tempo" staat dan voor "tempo primo", oftewel het begintempo van het muziekstuk weer oppakken. Vgl. ook: rubato - tempo.
  • A vue: Ook wel "a prima vista" (Italiaans) genoemd. Letterlijk betekent het "op het (eerste) gezicht". Voor een beroepsmusicus is vaardigheid in het a prima vista zingen of spelen van groot belang.
  • Abbreviaturen: Afkortingen in het notenschrift om de leesbaarheid te vergroten.
  • Absolute muziek: Instrumentale muziek, bijvoorbeeld symfonieën, sonates, fuga's, enz. waar geen "verhaal" aan vast zit; de muziek verwijst naar zichzelf, bestaat voor zichzelf. Het overgrote deel van de instrumentale muziek is zogenaamde "absolute" muziek. Slechts een klein gedeelte van de instrumentale composities beeldt iets uit, we noemen dit "programmamuziek". Vgl. ook: madrigalisme - programmamuziek - toonschildering.
  • Absolute notennamen: Voor het benoemen van de diverse noten zijn twee systemen in gebruik, deze systemen vullen elkaar volmaakt aan. Het is het systeem van de absolute notennamen: A - B - C - D - E - F - G, dat hoofdzakelijk wprdt gebruikt bij de instrumentale muziek. Het andere systeem is die van de relatieve toonnamen (do - re - mi - fa - sol - la - ti), hierover kun je meer lezen bij deze term zelf. De absolute notennamen zeggen alles over absolute toonhoogte gemeten in Hertz (= trillingen per seconden); zo is de toon A van het eengestreept octaaf exact 440 Hz. De relatieve namen zijn een beetje in onbruik geraakt. Om de zaken ingewikkeld te maken worden in het Frankrijk onze relatieve notennamen gebruikt om absolute toonhoogten aan te duiden, dus "do" = "C". Vgl. ook: afgeleide tonen - notenschrift - relatieve notennamen.
  • Absoluut gehoor: Sommige mensen kunnen van een gegeven toon zonder enig vergelijkingsmateriaal zo maar de hoogte bepalen: "A", "Cis", "Bes"; men zegt dat deze mensen een absoluut gehoor hebben. Het staat niet geheel vast wat de relatie is tussen een absoluut gehoor en muzikaliteit. Vgl. ook: muzikaliteit - relatief gehoor.
  • Accelerando: men dient geleidelijk aan sneller te gaan spelen.
  • Accent: Dit betekent nadruk, het teken waarmee je dat aangeeft is ">" (soms ook met de term Sfz = sforzando) en staat boven of onder de noot waar het om gaat. Ook is er het maataccent: de eerste tel van iedere maat wordt meestal sterker gespeeld dan de overige tellen, zo kun je ook gemakkelijk de maatsoort herkennen. Vgl. ook: maat - ritme.
  • Accident: Een toevallige verhoging (d.m.v. kruis of dubbelkruis) of verlaging (d.m.v. mol of dubbelmol) van een noot in een compositie. De verhoging of verlaging kan ongedaan gemaakt worden door middel van een herstellingsteken. De voortekens bij de sleutel aan het begin van een compositie hebben te maken met de toonsoort en zijn geen accidenten.
  • Ad libitum: "Naar believen" oftewel naar eigen artistiek inzicht. Het heeft meestal betrekking op het tempo of de toonlengte, men hoeft zich niet strikt aan het voorgeschreven ritme of tempo te houden.
  • Adagietto: Langzamer dan Adagio. Zie ook: Adagio.
  • Adagio: Tempo èn karakteraanduiding; betekent langzaam, behoedzaam. In een enkel geval is het ook de titel van een compositie, zoals bijvoorbeeld het bekende "Adagio" van Albinoni.
  • Adagissimo: Minder langzaam dan Adagio. Zie ook: Adagio.
  • Affettuoso: Karakteraanduiding en betekent: vriendelijk innemend spelen / met hartelijkheid voor te dragen.
  • Afgeleide tonen: De namen van de "zwarte toetsen op de piano" zijn afgeleid van de namen van de witte toetsen. Wordt de zwarte toets beschouwd als rechts van een witte, dan krijgt hij de uitgang "-is" achter de naam. Dezelfde zwarte toets kan ook gezien worden als links van de volgende witte, dan krijgt hij de uitgang "-es" (hierop zijn overigens wel een paar uitzonderingen). De zwarte toets tussen de "C" en de "C" kan op die manier "Cis" of "Des" genoemd worden (= "enharmonisch gelijk"). De keus tussen de ene of de andere naam is wel aan historisch gegroeide regels gebonden. In de notatie wordt dit weergegeven door een "kruis" of een "mol" voor de noot te zetten.
  • After Beat: Dit is het accent op de tweede en vierde tel. Deze accentverdeling geldt vaak voor de begeleidende instrumenten, niet voor de melodiepartij.
  • Agitato: Karakteraanduiding en betekent opgewonden spelen / gejaagd / onrustig.
  • Agnus Dei: (Latijn voor "Lam Gods") is het vijfde en laatste deel van het ordinarium van de Rooms-Katholieke mis. Het is een liturgische smeekbede die in de liturgie voor de communie gebeden of gezongen wordt. Het Agnus Dei werd ingevoerd in de Romeinse liturgie door Paus Sergius I (687-701) en is waarschijnlijk van oosterse oorsprong.
  • Agogiek: Het aandacht geven aan de lengte van de afzonderlijke noten om een boeiende muzikale voordracht te realiseren.
  • Air: Muziekvorm uit de 16e, 17e en 18e eeuw. Het is een kort, eenvoudig muziekstuk met een vloeiende melodie. Is vaak onderdeel van een reeks dansen ("Suite").
  • Akkoord: Dit is een samenklank van meer dan twee tonen die volgens een bepaalde manier wordt opgebouwd. De leer van de akkoorden wordt harmonieleer genoemd.
  • Akkoordenschema: Een opeenvolging van akkoorden, vaak in een vaste volgorde. Het schema wordt vaak een aantal malen herhaald. Een akkoordenschema wordt vaak gebruikt als begeleiding van een melodie.
  • Akkoordinstrument: Hiermee worden instrumenten bedoeld waarmee je akkoorden kunt spelen, zoals een toetsinstrument (piano, keyboard, synthesizer), een gitaar en een harp. Op deze instrumenten kun je ook een baspartij combineren met akkoorden en een melodie. Andere instrumenten waar dit niet op kan, noem je melodieinstrumenten.
  • Akkoordsymbool: Een akkoorsymbool geeft d.m.v. een hoofdletter aan om welk akkoord het gaat. Wanneer er als akkoordsymbool de hoofdletter C staat, spreken we van een C-akkoord. Het C-akkoord bestaat dan uit de akkoordtonen "C - E - G".
  • Akkoordtonen: Tonen waaruit een akkoord is opgebouwd.
  • Akoestiek: De leer van het geluid. Dit omvat de studie van de werking van het geluid in een bepaalde ruimte, bijvoorbeeld bij concertzalen. Maar ook het berekenen van de juiste verhoudingen tussen de toonhoogten en de juiste constructie van de muziekinstrumenten.
  • Al fine: Italiaans voor "naar het slot". Het wordt vaak gebruikt in combinatie met bijvoorbeeld "Da Capo al Fine": dit betekent "vanaf het begin naar het slot" (of daar waar het woordje "Fine" staat geschreven).
  • Aleatoriek: Wanneer de componist bewust het element toeval (Alea = "dobbelsteen" in het Latijn) inbouwt in zijn compositie. Vooral de 20e eeuwse componisten zoals John Cage hebben hier mee geëxperimenteerd.
  • Algemene muziekleer: De basiskennis van de muziektheorie, die iedere (beroeps-)musicus moet kennen, d.w.z. kennis van de muzieknotatie, leer van de toonladders, notennamen, intervallen en akkoorden, solfège en instrumentenkunde. Wie meer van muziektheorie wil weten kan aan het conservatorium theorie gaan studeren of aan de universiteit musicologie.
  • Alla breve: Andere naam voor de 2/2- maat en wordt meestal aan de sleutel weergegeven door een doorgestreepte C.
  • Alla marcia: Op de manier van een mars te spelen.
  • Alla polacca: Op de manier van een polka te spelen.
  • Alla tedesca: Op de "Duitse manier" spelen, of op de manier van een Duitse dans ("Deutscher) gecomponeerd.
  • Alla zingarese: Spelen in de stijl van Zigeuners, of gecomponeerd als zigeunermuziek.
  • Allargando: Met meer nadruk voordragen, iets verbreden, wat langzamer spelen.
  • Allegretto: Minder snel dan Allegro. Zie ook: Allegro.
  • Allegrissimo: Sneller dan Allegro. Zie ook: Allegro.
  • Allegro: Vrolijk, opgewekt. Asl tempo-aanduiding:snel
  • Alleluja: Een van de wisselende gezangen van de Rooms-Katholieke mis, gezongen na de tweede lezing, voor het evangelie. "Alleluja" is Hebreeuws voor "looft God" en het is door de kerk onvertaald overgenomen. Ook de titel van een bekend muziekstuk: het "Halleluiah" van Händel (uit: "The Messiah").
  • Allemande: Franse term voor: oude Duitse rustige dans, in 4/4 maat. Meestal een gevoelige en bewegelijke melodie. Het 1e deel van de Barok-suite, na de prélude.
  • All'ottava: Afkorting voor "in octaven" (hoger of lager) meespelen.
  • All'unisono: Eenstemmig, op dezelfde hoogte meespelen of zingen.
  • Alt: Is in een gemengd koor de lage vrouwenstem. Ook in de instrumentenfamilies vaak een instrument dat na de sopraan komt in toonhoogte, bijv. altviool, altsaxofoon, altfluit. Het Italiaanse "alto" betekent echter hoog, in de Renaissance was een alt dan ook een hoge mannenstem (doorgaans hoger dan de tenor).
  • Alteratie: Een chromatische, niet-laddereigen verhoging of verlaging van een toon in een melodie of een akkoord.
  • Alternatief: Sterk afwijkend fragment van een groter muziekstuk. Komt bijvoorbeeld voor als trio in een menuet, maar ook als deel van het Weense rondo; A - B - A - C - A - B - A (hier is C het alternatief).
  • Altsleutel: De alt-sleutel is tegenwoordig alleen nog in gebruik bij de muziek voor de altviool; hij geeft de plaats van de C aan op de middelste lijn van de notenbalk.
  • Amabile: beminnelijk spelen, voor te dragen.
  • Ambitus: "omvang", d.w.z. het bereik van de laagste tot de hoogste noot. Dit kan zowel slaan op de omvang van een melodie als op het bereik van een instrument of stem.
  • Amoroso: liefdevol spelen.
  • Amplitude: Term uit de akoestiek; de natuurkunde van de muziek. Geluid kan worden voorgesteld als een golf. De grootste verplaatsing vanuit de rusttoestand die een deeltje van het medium gedurende het voorbijgaan van een golf ondervindt, heet de amplitude. Ook wel: de hoogte van een golfberg of de diepte van een golfdal. Hoe groter de amplitude, des te sterker het geluid.
  • Analyse: Het onderzoeken van een compositie op vorm en harmonie.
  • Andante: Italiaans voor "gaande" (zowel wat betreft tempo als karakter).
  • Andantino: letterlijk een beetje 'andante'. In de praktijk betekent dit dus iets sneller dan andante.
  • Anglaise: Dans met een Engels karakter (ontstaan uit de Franse Rigaudon). Opgewekte 2-delige maatsoort, kwam ook voor in de Barok-suite.
  • Anhemitonisch: Hémi (Grieks)= half en betekent dus "zonder halve toonsafstanden". Vgl. pentatonisch, hele toons-toonladder.
  • Animando: Italiaans voor levendig, bezield spelen.
  • Anticipatie: Het vooruit laten klinken van een toon, de toon laten klinken voor het bijbehorende akkoord.
  • Anticlimax: Het tegenovergestelde van climax; een fragment waarbij de muzikale spanning afneemt. Middelen die een componist hiervoor kan gebruiken zijn: zachter laten spelen, langzamer laten spelen, minder instrumenten gebruiken, lagere tonen gebruiken, harmonieën eenvoudiger maken of enkele van deze elementen te combineren.
  • Antifoon: Wisselzang, gewoonlijk tussen solist en koor.
  • Antimetrische figuren: Ritmische figuren die tegen het gangbare ritme van het muziekstuk ingaan. Voorbeelden hiervan zijn de triool (drie noten in de tijd van twee) of de duool (twee noten in de tijd van drie).
  • Antwoord: In de melodieleer is dit de tweede helft van een voor- of nazin, die op zichzelf zijn opgebouwd uit vraag en antwoord. Bij de fuga is het antwoord echter de tweede inzet van het thema, de eerste inzet heet "dux", de tweede "comes" (= "antwoord" in het Nederlands).
  • Appassionato: Met hartstocht, gepassioneerd spelen.
  • Applicatuur: Meestal betekent dit dat het hele systeem van kleppen open is, bijvoorbeeld bij een klarinet, hobo of dwarsfluit.
  • Arabesque: Een lichte en sierlijke compositie, met meer "ornament" (versiering) dan emotie. Bijvoorbeeld bij componiosten als Robert Schumann en Claude Debussy.
  • Arco: Italiaans voor strijkstok. Het is een aanwijzing dat strijkers, na bijvoorbeeld een pizzicato-passage, weer moeten strijken.
  • Aria: Beschouwend of dramatisch zangstuk voor solostem met begeleiding; in een oratorium, cantate, opera of als zelfstandige concertaria. De aria is meestal driedelig, A-B-A', de zogenaamde da capo-aria.
  • Arietta: Kleine aria.
  • Arioso: Deel van een recitatief, waarin het recitatief meer melodisch van karakter wordt en metrisch gebonden is. Ook wel: een kleine aria.
  • Arpeggio: Italiaans voor "als op een harp". Het is het snel na elkaar spelen van de akkoordtonen (meestal van onder naar boven), dus als een gebroken akkoord.
  • Arrangement: Dit is een bewerking (instrumentaal of vocaal) van een muziekstuk voor een andere bezetting dan waarvoor het oorspronkelijk werd gecomponeerd. Dit kan door bijvoorbeeld de melodie door andere instrumenten te laten spelen, van een rustig nummer een snelle, swingende versie te maken, enz. Vergelijk: Cover.
  • Arsis: Het lichte maatdeel in de muziek; de opslag. In het Gregoriaans is het de groep noten die naar een thesis (het zwaardere deel) voeren.
  • Articulatie: De manier waarop opeenvolgende tonen al dan niet aan elkaar verbonden worden. Zie Legato, Staccato en Portato.
  • Assai: Italiaans voor "zeer".
  • Atonaal: Muziek waarbij de traditionele toonladder met grondtoon en dominant niet gebruikt wordt, dit stadium werd ca. 1920 in de Europese muziek bereikt. Hoewel het niet altijd hoeft, is atonale muziek vaak gebaseerd op een speciale ordening van de 12 tonen van de chromatische toonladder, dit is de twaalftoonsmuziek of dodecafonie.
  • Attacca: Italiaans voor "val aan". Het onmiddellijk doorgaan met het volgende deel.
  • Aubade: Muzikale groet, vaak als huldiging of begroeting aan een beminde. Tegenwoordig vooral een instrumentale muziekvorm. Tegenhanger is de serenade.
  • Authentiek slot: In de harmonieleer een afsluiting van Dominant - Tonica (V - I).
  • Ave Maria: Een van de belangrijkste gebeden van de katholieke kerk. Veel componisten hebben de tekst gecomponeerd, waaronder Charles Gounod en Franz Schubert.