Ontwikkeling van het orkest
door Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft JavaScript nodig om het te kunnen zien. INHOUD
INLEIDING De term orkest komt van de opera: de halve cirkel voor het toneel (de Griekse manier voor het opvoeren van drama) werd 'orchestra' genoemd. Dus werden ook de instrumentalisten die voor het toneel zaten zo genoemd. Orkest: een groter ensemble van (instrumentale) musici. Ontstaan in de periode dat de instrumentale muziek plotseling opbloeide (eind 16e eeuw). Men onderscheidt tegenwoordig:
De strijkers bekleden een vooraanstaande positie in de samenstelling van het orkest. Dit is niet alleen in visueel opzicht zo -hun positie vooraan op het podium- maar ook omdat de hoeveelheid strijkers bepalend is of een groep instrumenten kan worden beschreven als een orkest. GESCHIEDENIS Orkesten ontstonden in de 17e eeuw en kregen een herkenbare vorm in de 18e eeuw. In de loop van de 19e eeuw ontwikkelde zich vaste orkesten met een zelfstandig bestuur en het orkest werd toen ook vast bestanddeel van het muzikale leven. Voor de 17e eeuw waren er al wel allerlei groepen in verschillende combinaties. In de middeleeuwen werden de instrumenten werden veelal gebruikt ter ondersteuning van zangers. In de tweede helft van de zestiende eeuw begon men voor het eerst aan orkestratie denken. Tot in de kleinste details werden de benodigde instrumenten beschreven. Orlando di Lasso heeft met zijn hoforkest bij het huwelijk van Willem V van Beieren in 1568 aan tafel gespeeld met allerlei verschillende bezettingen. Dit getuigt van een toenemende belangstelling voor kleur; dat wil zeggen voor het contrast en voor de vermenging van klankkleuren, als een belangrijk onderdeel deel van de muziek. Uiteindelijk werd orkestratie belangrijk genoeg om te worden bepaald door de componist; in ca. 1600 bepaalde G. Gabrieli voor het eerst het voor iedere partij vereiste instrument bij het uitschrijven van zijn partituren. Hij maakte hierbij gebruik van afwisseling en contrast (hard en zacht door meer of minder instrumenten). Maar er was ook veel aandacht voor de instrumenten zelf; bijvoorbeeld een vedel was voor de mensen in de Renaissance meer dan een voorwerp dat geluid kon voortbrengen. Zonder het geluid ervan te horen waren ze onder de indruk van de vorm en van de lak. De opkomende belangstelling voor klankkleuren veroorzaakte een sterke stimulans voor het vervaardigen van nieuwe instrumenten. Nooit eerder, maar ook later niet, waren er zoveel diverse kleurschakeringen als in de 16e eeuw (bijvoorbeeld de uitgebreide dubbelrietinstrumenten: 10 volledige families). In die tijd werden aan de viool en aan de meeste andere instrumenten haar klassieke vormen gegeven. Ook werden vele instrumenten van die tijd met zorg gevoegd, gedraaid en ingelegd. In 1582 bezat het Berlijns hoforkest: 24 fluiten, 17 rietpijpen, 9 zinken, 7 orgels, 3 trombones, 7 vedels, 4 spinetten en 1 harp. (85% blaas- en 15% snaarinstrumenten). Er was in die tijd dus een sterke overheersing van blaasinstrumenten. De nieuwe rijkdom aan muziekinstrumenten en haar toenemende belangrijkheid, dit werd duidelijk rond 1400, mondde uit in uitgaven van populaire boeken over dit onderwerp in het begin van de 16e eeuw. Claudio Monteverdi schreef de eerste belangrijke opera 'La Favola d'Orfeo' (1607) met een bezetting van een 'echt orkest'. De partituur schreef wel de instrumenten voor, maar niet precies waar en wanneer ze moesten spelen. De bezetting was: Blaas- en slaginstrumenten
Continuo-instrumenten
Barokorkest: kern was het cembalo, de kapelmeester leidde vanaf dit instrument het geheel.
De instrumenten ondergingen in deze periode een strenge selectie, dit was omdat men grotere omvangen en meer dynamiek wilde hebben. Dit kwam ook duidelijk naar voren in de orkesten. Een min of meer vaste bezetting kreeg het orkest in de 17e eeuw. Bij Bach en Händel was de doorgaande bezetting: strijkers (violen, alten, celli en bassen), klavecimbel (het continuo-instrument), hout-(fluiten, hobo's en fagotten) en koperblazers (trompetten en hoorns). Er waren nog geen trombones (alhoewel Monteverdi ze al wel gebruikte) aanwezig als orkestinstrument. In die tijd paste de componist zijn muziek aan het instrumentarium, dat op een bepaalde plek aanwezig was, aan. Muziek was bedoeld voor onmiddellijk gebruik en niet voor het nageslacht. Aan het eind van de 17e eeuw waren de belangrijkste instrumenten van het tegenwoordige orkest aanwezig. Het strijkorkest vormde daarbij de kern van het ensemble - alhoewel het nog niet helemaal zelfstandig functioneerde. De hoge en lage stemmen werden naar voren gehaald en middenstemmen werden in het ongewisse gelaten. Als er toen geen continuo was, zou het gevolg een gat tussen melodie en de bas zijn geweest. In 1667 bezat het Berlijns hoforkest (vergelijk onderaan bladzijde 4): 17 vedels, 1 viool, 1 dulciaan, 2 pandoren en 1 harp. (21 snaarinstrumenten waarvan 18 strijkinstrumenten en 1 blaasinstrument). De vedels met de ingehouden toon werden geleidelijk aan steeds meer vervangen door de viool met de meer scherpere toon. Na 1760 werden er steeds meer partijen uitgegeven; alleen opera's en oratoria werden in een partituur gedrukt. In 1801 werden voor het eerst enkele symfonieën van Joseph Haydn uitgegeven. Hiervoor waren er wel manuscripten in omloop, maar die werden door de componisten goed bewaakt omdat ze in die tijd geen auteursrecht kende. Het meest opmerkelijk en invloedrijk was in die het orkest aan het hof van Carl Theodor te Mannheim. Bij de Mannheimers wordt de klarinet in het orkest opgenomen en het klavecimbel verdwijnt. Dit orkest ontstond toen de Tsjechische violist Johann Stamitz kapelmeester werd. Hij was een briljant virtuoos en hij werd aangemoedigd om goede musici uit heel Europa bij elkaar te zoeken. Stamitz werd opgevolgd door Christian Cannabich. Het orkest was van betekenis om zijn uitstekende uitvoeringen, maar ook was opvallend dat vele instrumentalisten componist waren. Hierdoor werd er grote vooruitgang geboekt in de ontwikkeling van dit soort muziek. Ze werkten mee aan het ontstaan van de symfonie als muzikale vorm, maar ook bedachten ze vele technieken (gelijke stokvoering, frasering en crescendo en decrescendo). Vanaf 1770 waren velen van de beste musici te vinden in het orkest van Concert de Amateurs. In 1780 werd dit omgedoopt tot Concert de la Loge Olympique (hiervoor schreef Haydn zijn 6 Parijse symfonieën). In de eerste helft van de 18e eeuw schreven de componisten zonder speciale aandacht te besteden aan de klankkleur van instrumenten. De strijkers deden het meeste werk: de violen werden vaak verdubbeld door fluiten of hobo's en de cello's door contrabassen of fagotten. Soms werd er een strijkerspassage herhaald door de blazers. De partijen waren eigenlijk voor strijkers, maar ook voor de blazersgroepen geschreven (het maakte niet echt uit). De muziek kon worden opgevat in grote lijnen. Alleen in de opera werd bewust gebruik gemaakt van verschillende kleuren, hier komen dan ook de meest interessante experimenten vandaan. Ook het concerto grosso heeft aandacht voor kleuren; contrastering (in kleur en sterkte) van verschillende instrumentengroepen. Uit zulke ontwikkelingen vormde zich het begrip orkestratie, de componisten kregen kijk op de klankkleuren van een instrument. Aan het eind van de 17e eeuw was de kerkmuziek het belangrijkst, gevolgd door de opera, het orkest stond nog in de kinderschoenen. Aan het eind van de 18e eeuw vochten orkestmuziek en opera om de eerste plaats en kwam de kerkmuziek nog nauwelijks aan bod. Omdat het orkest belangrijker werd, ontstonden er ook nieuwe genres: suite en opera-ouverture (in Italië vaak Sinfonia genoemd). Uit deze sinfonia's groeide de symfonie (elk deel kreeg een eigen karakter). In werd er 1784 een massaal orkest samengesteld ter ere van de Händelherdenking: 48 eerste violen, 47 tweede violen, 26 altviolen, 21 cello's, 15 bassen, 4 trommen, 2 orgels, 6 fluiten, 26 hobo's, 26 fagotten, 1 contrafagot, 12 trompetten, 12 hoorns, 6 trombones. Het belangrijkste vereiste was kracht. Dit komt ook duidelijk naar voren in het ideale orkest voor Berlioz: 465 instrumenten (120 violen, 45 cello's, 40 altviolen, 37 contrabassen, 30 harpen en 30 piano's). Het orkest in de 19e eeuw werd groter en beter (Beethoven dacht aan 35 man en Strauss aan meer dan 100). Dit kwam door verbetering in het mechaniek van houten en koperen blaasinstrumenten waardoor ze even soepel en betrouwbaar werden als de strijkinstrumenten. In de 18e eeuw kon men eigenlijk alleen van de strijkers zeggen dat ze flexibel en betrouwbaar waren en een groot toonbereik hadden. De stokvoering en vingerzetting verbeterden door het voorbeeld van virtuoze solisten die aan het begin van die eeuw grote invloed kregen. De traverso's, fagotten en hobo's hadden hun beperkingen door de gaten. Dit werd in de 19e eeuw opgelost door een mechaniek bestaande uit kleppen en hefboompjes. Bij de hoorns en trompetten is dat anders: de tonen zijn afhankelijk van de buislengte. Eerst had je diverse lengtes, later kon je dat met de hand instellen door middel van stembeugels. In de 19e eeuw werden hiervoor ventielen bedacht. De trombone die gemakkelijk in lengte was te verstellen, werd niet voor het begin van de 19e eeuw ingevoerd. De onafhankelijke secties hout- en koperblazers kregen in de 19e eeuw een vergelijkbare omvang met de strijkers. Ook ontstonden er nieuwe instrumenten. Beide secties werden uitgebreid tot 4- of 5-stemmige weefsels, dit was bij de strijkers al langer zo. Na het toevoegen van de klarinetten, aan het eind van de 18e eeuw, was de houtblazerssectie een compacte eenheid. De piccolo werd voor het eerst gebruikt in Beethoven's 5e symfonie. De contrafagot kwam naar voren in Beethoven's 9e symfonie. De Engelse hoorn was pas echt goed te gebruiken rond 1850. Bij Beethoven krijgen vooral het koper en de pauken een belangrijkere taak. Verder werd in die tijd ook de kopersectie uitgebreid met basinstrumenten, een duidelijk voorbeeld is de tuba (ca. 1860). Het slagwerk werd al in de 18e eeuw uitgebreid, aan de pauken werden toen toegevoegd: de kleine trom, exotische instrumenten (zoals triangel en bekkens), enz. Ook de harp kreeg een vaste plaats in het 19e-eeuwse orkest (Berlioz: 'Symfonie Fantastique'). De meeste symfonische muziek van voor 1880 kan door een orkest van ongeveer 50 a 60 man toch wel worden uitgevoerd. Door de uitbreiding van het orkest en de aan de instrumentalisten hoger gestelde eisen wordt de klank voller. De romantische artiest van de 19e eeuw wilde dit ook want hij wil zijn gevoelens overbrengen. De kunst van het orkestreren was geboren en de partituur werd de 'heilige schrift'. Berlioz heeft hiervoor een speciaal leerboek geschreven: 'Traité de l'instrumentation et d'orchestration modernes' (1843). De verzadigde orkestklank ontstaat bij Wagner en Bruckner. Na de massale klank van het Laatromantische orkest van een Richard Strauss en Mahler treden bij Debussy een versobering en verfijning in. Aan het begin van de 19e eeuw ontstond pas de dirigent.
Het eerste dirigeren leidde tot verwarring, maar al snel bleek dat de tempi en inzetten veel duidelijker werden. Tegen het midden van de 19e eeuw bekleedde de dirigent een vaste plaats in het orkest; de concertmeester gaf raad over stokvoering, frasering, zorgde voor de discipline en was de woordvoerder. De schepper van de grondvorm van het moderne orkest is Joseph Haydn: een orkest bestaande uit strijkers, tweevoudig bezette fluit, hobo en/of klarinet, fagot, hoorn, trompet, twee/drie trombones en een paar pauken. Het inmiddels traditioneel geworden symfonieorkest groeit echter al sinds bijna een eeuw niet meer verder uit (dat wil zeggen kwantitatief). Het toenemend aantal werken voor kamerorkest (een groot orkest brengt een hoop kosten met zich mee) zorgt ervoor dat er minder behoefte is aan grote orkesten. Componisten die voor 1914 actief waren, gingen er van uit dat de orkesten steeds maar zouden blijven groeien. Maar er groeide weerstand tegen de overdreven romantiek, men werd objectiever, maar daarnaast begonnen de kosten ook zwaarder te drukken. De kleine ensembles werden ontdekt (bijvoorbeeld bij Strawinsky, Schönberg, Webern, Hindemith e.a.), maar ook greep de componist soms met opzet terug naar gewoonten uit de barok of het classicisme. Soms werden ook gewoon vioolgroepen weggelaten, geheel naar eigen inzicht. Wel werd de slagwerksectie veel groter, vooral ook door de toenemende aandacht voor het ritme. De strijkers komen ten gunste van het slagwerk (ritme). De pauken werden voorzien van pedaaltechniek. Opvallend is dat ook soms saxofoons werden toegevoegd. Maar ook andere geheel nieuwe instrumenten worden toegevoegd; de elektrische en elektronische instrumenten als vibrafoon, Ondes Martenot, Theremin e.a. De dirigent is tegenwoordig niet meer weg te denken voor een orkest. Maar soms worden ze wel heel erg op een voetstuk geplaatst, zeker met het uitgeven van platen en C.D.'s. Bepaalde componisten zetten zich daar tegen af en willen dat de musici zelf beslissingen nemen, over hoe lang een noot moet duren of over de sterkte. De orkesten gingen zich sterk specialiseren, bijvoorbeeld in het authentiek uitvoeren van barokmuziek. Maar toch moeten de orkesten wel groot genoeg blijven om bekende werken van de 18e en 19e eeuw te kunnen spelen. UITVOERINGSPRAKTIJK Uitvoeringspraktijk: alles wat voor een realisatie in klank nodig is. Hoe verder terug in de geschiedenis, des te groter worden de hiaten tussen notatie en klank. Heel lang geleden waren er ongeschreven uitvoeringsregels. Pas Bach schreef veel van z'n versieringen uit. In de vroege Barok gaven de componisten meestal slechts de registers aan. Pas in de loop van de 17e eeuw wilden de componisten zoveel mogelijk karakteristieke speelmogelijkheden en klankkleuren benutten van de desbetreffende instrumentalisten. Men gaf in de Barok de voorkeur aan expressieve instrumenten met dynamische mogelijkheden, waardoor de oudere instrumenten moesten worden omgebouwd. Het belangrijkste instrument werd de viool. Oude Meesters uit de 16e en 17e eeuw zeiden: "Zingen is de basis voor het muziek maken, vooral voor instrumentalisten - het is het imiteren van de zang. Het geeft ook meteen een indruk voor het gebruik van vibrato". Hieronder volgt een overzicht van de diverse periodes.
Verdere bezetting:
Voordracht:
De ornamentiek in de Barok en Rococo is erg belangrijk. In die tijd zijn er een paar belangrijke werken daarvoor geschreven:
Dynamische tekens als p en f waren nauwelijks aanwezig voor 1750 Vroeg-Romantiek en Classicisme
In de 18e eeuw bleven er enkele versieringen over zoals de praller, de mordent en de triller. Ik wil ook nog even ingaan op het gebruik van tremolo's. Bijvoorbeeld Haydn bedoelde met twee streepjes boven een noot al een tremolo, terwijl drie streepjes in een langzaam deel nog goed uit te tellen is. Je hebt wel de term 'trem.', maar er wordt nooit nadrukkelijk genoteerd waar het tremolo moet ophouden. Verder heb je ook nog het 'Trémolo ondulé' (te vinden in Duparc: 'L'Invitation au Voyage'); dit was zeker ook bekend in de 17e en 18e eeuw. Het houdt in: afwisseling van druk en geen druk van de vingers rechts op een legato-streek. GROOTTE VAN DE BEZETTING Lully's orkestidioom was vijfstemmig, hij noteerde vaak alleen de bovenstem en bas, de assistenten van hem schreven dan later de middenstemmen. In de rest van Europa schreef men voor orkest vierstemmig. C.Ph.E. Bach houdt zich aan de oude barokzetting: dit wil zeggen paarsgewijze bezetting, in nauwe ligging, van instrumentengroepen. Het hout speelde toen ook in een hoger register dan de strijkers (registerklank). Haydn wilde graag een wijde ligging van alle instrumenten: de blaasinstrumenten mengde nu en kwamen tussen de strijkers in (mengklank). Het orkest van toen bestond uit ongeveer dertig musici, maar het kon ook nog veel kleiner zijn. Men ging uit van de vierstemmige strijkersgroep (met bas), 2 hobo's of fluiten, 2 hoorns en 1 tot 2 fagotten. De Mannheimer hofkapel had daarentegen 22 violen, 4 altviolen, 4 celli, 1 contrabas, 2 fluiten, 2 hobo's, 2 klarinetten en 2 fagotten, 2 hoorns, 2 trompetten en 2 pauken. Soms wordt aan het strijkorkest een historisch instrument toegevoegd, niet in de groep zelf maar als solo-instrument. De meest bekende zijn de viola d'amore en de viola da gamba, laatstgenoemde was vroeger geïntroduceerd als continuo-instrument of voor pure solo-optredens. Misschien ontleent het zijn status in het orkest aan Bach's Brandenburgse Concerten. De viola d'amore is terug te vinden in onder andere: Les Huguenots van Meyerbeer, Madame Butterfly van Puccini en Palestrina van Pfitzner. Bij tegenwoordige prestige concerten is de bezetting van de strijkers als volgt: 16 eerste en 14 tweede violen, 12 altviolen, 10 celli en 8 bassen. Vaak wordt de grootte niet voorgeschreven en moet de dirigent naar eigen inzicht het orkest invullen. De grootste strijkersbezetting die echt nodig is komt voor bij Schoenbergs 'Gurrelieder' (20 eerste en 20 tweede violen, 16 altviolen, 16 celli en een zelf in te vullen aantal bassen). Vroeger waren er geen grote orkesten omdat daar toen de voorzieningen niet voor waren, terwijl juist in deze 'moderne' tijd wordt teruggegrepen naar deze kleine bezetting (bijvoorbeeeld Strawinsky's 'Dumbarton Oaks' met maar een paar violen). SPECIALE TECHNIEKEN Het eerste werk met specifieke orkesteffecten is Monteverdi's 'Il combattimento di Tancredi e Clorinda'. In dit werk wordt gebruik gemaakt van pizzicato en tremolo. Verder heb je nog wel meer streektechnieken en werkwijzen die eigenlijk niet of nauwelijks worden gebruikt bij het 'normale' vioolspel. Ik zal hieronder een opsomming geven. Omdat op- en afstreek verschillende klankkleuren teweegbrengen is het belangrijk om goed na te denken over de stokindeling (dit is een taak voor de aanvoerders en/of dirigenten). Componisten schrijven soms op- en afstreek, waarbij niet alleen de streek zelf belangrijk is, maar ook de daardoor ontstane frases (bijvoorbeeld hernemen levert een gat op). Vaak worden met bogen alleen muzikale lijnen aangegeven. De boog is dan te lang om goed te kunnen uitvoeren, dit leidt tot 'free bowing' (zie onder). Ook als je op een bepaalde plek van de stok moet uitkomen voor een speciaal effect (bijvoorbeeld pizzicato of spiccato) zul je van 'free bowing' gebruik moeten maken. Free bowing: dit is het naar eigen inzicht verdelen van de streek. Dit maakt voor het publiek een 'rommelige' indruk en daardoor lijkt het ook alsof het orkest slordiger aan het spelen is. Maar een positief punt is dat de musicus zich, ondanks dit 'rommelige spel' veel vrijer voelt. Divisi: je hebt verschillende onderverdelingen.
Soms wordt de leidinggevende funktie doorgegeven aan een tweede of derde lessenaar (bijvoorbeeld bij vier solostemmen bij de eerste violen: de vijfde violist is nu leider van de tutti-partijen). Elke componist heeft hierover zijn eigen ideeën en opvattingen. Sul ponticello: dit effect (belangrijker dan de toonhoogte zelf) zorgt voor een magische atmosfeer en wordt vaak in piano/pianissimo-passages gebruikt. Het is lastig uit te voeren door de onnatuurlijke houding, maar ook door de klank, het wordt door de meeste strijkers toch als lelijk ervaren. Sul tasto: het op de toets strijken wordt vaak in zachte, langzamere delen toegepast. Col legno: dit houdt in het strijken met het hout, maar ook het slaan met het hout van de stok. Dit laatste geeft een percussie-achtig effect. Portato-spel: is verwant met 'louré', een techniek die veelal gebruikt wordt in klassieke werken; het is het spelen van vier of meer achtsten van één toonhoogte op één streek. Het is niet met flautato. Verder worden natuurlijk ook marcato, martelé, ricochet en spiccato gebruikt. Spiccato wordt zelden aangegeven door de componist zelf, dit wordt dan bepaald door de dirigent of de groep. Pizzicato en Bartok-pizzicato: Soms moet het pizzicato zo snel dat het een effect wordt in een strijkersgroep en dat het niet meer om de precisie gaat. Bij lange passages worden de stokken neergelegd; soms is het voorgeschreven om de viool in de banjohouding vast te houden. Tegenwoordig worden alle delen van de viool en de stok gebruikt voor de klank (vooral percussief). Flageoletten: soms genoteerd op greep, dan weer op de klank. Dit leidt tot verwarring en veroorzaakt ook een heel gepuzzel om dit uit te zoeken. Af en toe vind je in werken een onderverdeling bij flageoletten: de ene helft speelt de flageoletten zelf, de anderen spelen de gewone noot met dezelfde toonhoogte (vollere klank maar wel lastig te lezen). Losse snaren: soms worden de losse snaren door de componist alleen maar voor eenvoudigheid genoteerd en heeft dan ook niks meer met klankkleur te maken. Er zijn verschillende manieren om losse snaren aan te geven: een 0 boven de noot, het afwisselen van stokken omhoog en omlaag (bij noten van dezelfde hoogte, waarbij er een afwisseling is van vierde vinger en losse snaar) en ook worden er wel een open noten genoteerd (bijvoorbeeld een achtste die niet ingekleurd is). Sourdine (demper) wordt gebruikt als kleur. Soms vergeten de componisten aan te geven waar de dempers er weer af moeten (bijv. in het Largo van Dvorak's Symfonie uit de Nieuwe Wereld), dit leidt niet alleen tot verwarring maar ook tot heel verschillende klankkleuren voor eenzelfde passage. Tegenwoordige sourdines kunnen op het instrument zelf blijven, waardoor je sneller kunt wisselen. Maar soms wil de componist de wisseling toch nog sneller hebben en dan ook nog vaak in zachte passages (je krijgt altijd een bijgeluid bij het op- en afzetten), dan wordt het effect vaak geïmiteerd door op de toets te strijken. Glissando: zeker in langzame loopjes is het vaak niet duidelijk wanneer je moet beginnen met het glissando, omdat de notatie voor een glissando nooit het precieze startpunt kan aangeven. Vibrato: met termen als 'dolce' en 'espressivo' duidt de componist indirect op het gebruik en de grootte van het vibrato. Juist de vele individuele vibrato's karakteriseren de strijkersgroep van een orkest. Tot slot: In de afgelopen hoofdstukken heb ik geprobeerd zo ruim mogelijk het orkest te benaderen en ben ik op zoveel mogelijk verschillende onderwerpen ingegaan. Vioolspel in een orkest wordt altijd ondergewaardeerd en door veel violisten wordt gezegd "dat doen we wel even, we spelen toch al -- jaar viool". Ze staan er dan niet bij stil dat je niet alleen je noten goed moet spelen, maar dat je je vooral moet aanpassen aan de omgeving. Zelfs vroeger toen er nog geen dirigenten voor stonden, moest je toch op de anderen letten. Initiatief mag wel, als het maar in de groep past. GERAADPLEEGDE LITERATUUR
|